Gongylus gongylodes

Gongylus gongylodes is een erg bijzonder soort bidsprinkhaan. In het Engels wordt zij ook wel Wandering Violin genoemd: Lopende Viool. Dit omdat dit soort een heel lang dun midden van zijn lijf heeft. Het achterlijf lijkt dan op de kast van een viool, en de kop op de knop van een viool. Het is echt bijzonder om te zien hoe dun zo’n tussenstuk is. Van nature komt dit soort voor in India en Sri Lanka.
Lees deze caresheet verder voor de verzorging van dit interessante insect!

Uiterlijk

Dit soort bidsprinkhaan bootst dorre bladeren na, zodat ze niet opvalt tussen gevallen bladeren in de bosgebieden waar ze voorkomt. Het lijf en de kop en vangarmen zien er uit als een bruin blad, terwijl het lange dunne lijf eruit ziet al een twijgje. Zo kan zij onverwachts prooien grijpen en toch ongezien blijven voor roofdieren zoals insectetende vogels. De meest voorkomende kleur bij dit soort is licht- tot middenbruin, maar soms is er ook een erg donkerbruin exemplaar te vinden. G. gongylodes vrouwtjes worden ongeveer 10 cm lang, de mannetjes worden ongeveer 9 cm lang. Het is dus een erg groot soort! De mannetjes zijn smaller dan de vrouwtjes met iets langere vleugels dan het achterlijf. De mannetjes hebben ook voelsprieten met veel haartjes eraan als ze volwassen zijn, terwijl de vrouwen dat niet hebben. Dit is een heel opvallend verschil, maar is pas te zien als de mannetjes subadult zijn.

Gedrag

Gongylus gongylodes is een rustig soort bidsprinkhaan. Het is een typische sit-and-wait predator. Vertrouwend op haar camouflage wacht zij geduldig tot een nietsvermoedende vlieg langszoemt. Zodra ze die in de gaten heeft slaat zij bliksemsnel toe, en voordat de vlieg het door heeft zit hij al stevig vast tussen de vangarmen van dit roofdier. Ze zijn gespecialiseerd in vliegende prooien, en kunnen zelfs een vliegende vlieg uit de lucht vangen! Het soort is niet erg beweegelijk, hoewel ze vaak zachtjes heen en weer wiebelen om de wind na te doen. Eigenlijk alleen als er voedsel in het spel is kan je ze in actie zien.

Voedsel

G. gongylodes eten in de natuur eigenlijk alleen vliegende insecten. Je moet ze in gevangenschap dus ook voeren met vliegende insecten zoals huisvliegen, zweefvliegen, motten en vlinders. Je kan die gewoon in het hok loslaten, de bidsprinkhaan pakt ze direct als hij honger heeft. Zorg ervoor dat de bidsprinkhanen nooit langer dan 2 dagen geen voedsel meer hebben. Beter is ervoor te zorgen dat er altijd een aantal vliegen rondvliegen in hun hok.
Om het voeren van vliegen te vergemakkelijken kan je vliegenpoppen in het hok strooien. Deze poppen komen dan vanzelf uit zonder dat jij die snelle vliegende beestjes hoeft aan te raken. Als je een paar dagen weg gaat is dit ook een excelente manier om ze toch van voer te voorzien.

Omgevingseisen

De ideale temperatuur is vrij hoog voor dit soort, ongeveer 35 °C, maar kan variëren tussen de 30 °C en 40 °C. ’s Nachts mag het iets koeler zijn dan overdag, maar minimaal 20 °C. Voor verwarming is een lamp het beste. Dit soort stelt weinig eisen aan de luchtvochtigheid. Een of twee keer per week sproeien met water is prima als je een netcage gebruikt, maar als je een vrij gesloten terrarium gebruikt is sproeien bijna helemaal niet nodig ( eens per week een beetje).
Zoals bij alle soorten bidsprinkhanen, heeft dit soort een verblijf nodig die minstens 3x de lengte van het dier hoog is, en minstens 2x de lengte van het dier breed. Voor een volwassen dier betekend dit dus minstens 30 cm in de hoogte en 20 cm in de breedte. Het bijzondere aan dit soort is dat ze samen kan leven zonder elkaar op te eten! Een terrarium met meerdere dieren moet dan wel groter zijn dan een terrarium met eentje. Een mooie maat voor een terrarium zou 50 x 40 x 40 cm (hxbxl) voor twee volwassen dieren zijn. Als je meer dieren wilt zou ik ervoor zorgen dat ze altijd 1,5x hun lichaamslengte uit elkaars buurt kunnen blijven.
Zorg voor veel takjes om aan te hangen bovenin het terrarium, deze worden meestal gebruikt voor vervellingen. Dit soort kan niet tegen glas of plastic lopen. Daarom moet een of meerdere kanten van het terrarium bekleed zijn met kurk of een ander ruw oppervlak. Ze kunnen dan langs die kant ophoog klimmen. Dorre bladeren kleuren prachtig bij dit soort, soms gaan de bidsprinkhanen helemaal op in die omgeving en is het moeilijk ze te spotten. Het is dus leuk om dorre bladeren op de bodem te leggen en aan de takken te laten zitten. Deze bladeren dienen tevens als schuilmogelijkheden voor de bidsprinkhanen onderling en geven extra grip en hangplekken.

Groepshuisvesting

De meeste bidsprinkhanen verslinden elkaar als ze in één verblijf worden geplaatst. Het bijzondere aan Gongylus gongylodes is dat zij meestal zonder kannibalisme hun hele leven samen gehouden kunnen worden! De voorwaardes hiervoor zijn wel, dat de dieren ten aller tijde genoeg te eten hebben en dat het verblijf voldoende groot is met wat schuilmogelijkheden (zoals dode blaadjes aan takken). De kans op kannibalisme is dan heel erg klein bij dit soort, maar 100% kannibalisme voorkomen kan niet als je ze samen houdt. Vooral vervellende soortgenoten kunnen gegeten worden, en dit gebeurd vooral als ze jonger zijn dan L4. Subadulten eten elkaar (zo goed als) nooit, maar volwassen vrouwtjes kunnen soms een volwassen man eten. Wat echt va groot belang is voor groepshuisvesting is véél vliegen voeren.

Voortplanting

De volwassen vrouwtjes van dit soort zijn iets groter en breder dan de volwassen mannetjes, met kortere vleugels en kortere antennen. De vleugels van de vrouw houden al op voordat het achterlijf eindigt, terwijl bij de man de vleugels uitsteken (vleugels alleen te zien bij volwassen exemplaren). De vrouw heeft korte antennen (ong. 1 cm) terwijl de man lange geveerde antennen heeft (3 cm lang). Dit verschil is te zien vanaf het subadulte stadium.
Vanaf ongeveer L2 kan met een goed oog gezien worden hoeveel segmenten de dieren aan het achterlijf hebben. Vrouwtjes hebben er 6, terwijl mannetjes er 8 hebben. Deze geslachtsbepalingsmethode is al in een vroeg nimfenstadium te gebruiken, maar kan soms lastig zijn voor het ongeoefende oog. Hoe groter de dieren worden hoe duidelijker het verschil te zien is.
Ongeveer 2 tot 4 weken na de laatste vervelling kan een paringspoging worden ondernomen. Je kan de man dan bij de vrouw in het hok zetten. Maar omdat de meeste mensen dit soort samen in een groep houden, zullen ze zelf beginnen met paren als de tijd er rijp voor is. Je hoeft dan dus niks extra’s te doen! De paring duurt meestal best kort (2 uur, kan ook 6 uur) maar kan soms wel meerdere keren achter elkaar plaatsvinden. De vrouwtjes leggen ongeveer 7 schuimige langwerpige eipakketten in een wat koeler gedeelte van het verblijf. Ze zijn wit en schuimig. Bewaar deze eipakketen op ongeveer dezelfde temperatuur als waarop ze gelegd zijn, sproei hun bakje wél met water (ongeveer 2x p. week tot 3x per maand naar gelang de ventilatie van je bakje) en na 4 – 6 weken heb je veel nimfjes (ongeveer 20 – 30 per ootheek)!