Blepharopsis mendica

Blepharopsis mendica wordt in het Engels ook wel Thistle Mantis genoemd. Soms wordt zij ook Small Devil’s Flower Mantis genoemd, maar dit moet je niet verwarren met Devils Flower Mantis: de naam voor Idolomantis diabolica. Blepharopsis mendica komt van nature voor in Noord Afrika, Zuid-Oost Azië en de Canarische eilanden. Lees deze caresheet verder voor de verzorging van dit interessante insect!

Uiterlijk

Dit soort bidsprinkhaan is crème-wit tot beige met lichtgroene strepen en lichtgroene “aders” over de vleugels als ze volwassen zijn. Op de rug zit een klein puntig schildje waar de vangarmen onder zitten. Aan de binnenkant van de vangarmen zie je oranje en felblauw. Deze kleuren worden getoont in de dreighouding om roofdieren af te schrikken. B. mendica wordt ongeveer 5 – 6 cm lang, met weinig verschil in grootte tussen de geslachten. De mannetjes zijn smaller met iets langere vleugels dan het achterlijf. De vrouwtjes zijn breder met een bredere prothorax en met vleugels die tot op het achterlijf reiken. De vrouwtjes hebben dunne antennen terwijl de volwassen mannetjes geveerde (brede, dikke antennen met een soort haartjes eraan) hebben.

Gedrag

Blepharopsis mendica is een rustig soort bidsprinkhaan. Ze zijn goed in het vangen van vliegende insecten. Vertrouwend op haar camouflage wacht zij geduldig tot een nietsvermoedende prooi langskomt. Zodra ze die in de gaten heeft slaat zij bliksemsnel toe, en voordat de prooi het door heeft zit hij al stevig vast tussen de vangarmen van dit roofdier.

Voedsel

Blepharopsis mendica eten in de natuur voornamelijk vliegende insecten. Je kan ze dus het beste vliegen en motten aanbieden. Let er alleen even op dat er geen loslopende voedseldier in het hok rondhangen op het moment dat de bidsprinkhaan gaat vervellen.  De grote bromvliegen die je als made in viswinkels kan kopen zijn uitstekend voer voor de volwassen dieren.

Temperatuur, vochtigheid en ruimte

De ideale temperatuur is ongeveer 34 °C, maar kan variëren tussen de 30 °C en 40 °C. ’s Nachts mag het iets koeler zijn dan overdag, maar minimaal 23 °C. Dit soort heeft geen hoge luchtvochtigheid nodig. Ongeveer 30 tot 40 % luchtvochtigheid. Dit wordt bereikt door ongeveer 1x per week te sproeien met water. Zoals bij alle soorten bidsprinkhanen, heeft dit soort een verblijf nodig die minstens 3x de lengte van het dier hoog is, en minstens 2x de lengte van het dier breed. Voor een volwassen dier betekend dit dus minstens 15 cm in de hoogte en 10 cm in de breedte. Een mooie maat voor een terrarium zou 20 x 20 x 30 zijn, zodat er ook plaats is voor nepplanten en veel zitstokjes. Dorre bladeren kleuren prachtig bij dit soort, soms gaan ze helemaal op in de omgeving. Dit soort kan niet goed tegen glas oplopen, daarom heeft het meer zitstokjes nodig en het liefst een kurken achterwand van het terrarium.

Groepshuisvesting

B. mendica is geen extreeem kannibalistisch soort, maar zal zeker haar soortgenoten bejagen en opeten als ze niet genoeg ander voer kan vinden. Daarom is het niet aan te raden nimfjes ouder dan L3 samen te huisvesten. De jongere dieren kunnen samen, mits de dieren ten aller tijde genoeg te eten hebben en dat het verblijf voldoende groot is. De kans op kannibalisme is dan erg klein, maar bij dit soort roofdieren blijft het altijd bestaan.

Voortplanting

De vrouwtjes van dit soort zijn iets groter en breder dan de mannetjes. Als nimf kan je zien dat sommigen een bredere prothorax hebben dan anderen. Diegenen met een bredere prothorax zijn de vrouwtjes. Ook aan de voelsprieten kan gezien worden of je te maken hebt met een mannetje of een vrouwtje. De voelsprieten van de man zijn langer en een stuk dikker dan die van de vrouw. Vanaf ongeveer L4 kan met een goed oog gezien worden hoeveel segmenten de dieren aan het achterlijf hebben. Vrouwtjes hebben er 6, terwijl mannetjes er 8 hebben. Deze geslachtsbepalingsmethode is al in een vroeg nimfenstadium te gebruiken, maar kan soms lastig zijn voor het ongeoefende oog.
Ongeveer 2 tot 4 weken na de laatste vervelling kan een paringspoging worden ondernomen. Zorg ervoor dat het vrouwtje heel goed gegeten heeft als je het mannetje erbij zet. Meestal zijn ze redelijk weinig agressief onderling, maar het kan voorkomen dat de vrouw de man grijpt. Handig is om het vrouwtje wat te eten te geven als je het mannetje erbij zet. De paring kan een paar uur duren. Als de paring niet lukt, kan het helpen om de dieren bij erg warme temperaturen (35 tot 40 graden) te plaatsen een paar dagen voor de paring. Vooral het mannetje kan hier baat bij hebben.

Dit soort is moeilijker te houden dan de meeste soorten, vanwege de speciale hoge temperaturen. Daarom is dit soort niet aan te raden voor de beginner.