Acromantis formosana

Acromantis formosana wordt in het Engels ook wel Taiwan Flower Mantis genoemd.
Ze komt van nature voor in Taiwan.

acromantisformosana

Acromantis formosana volwassen vrouwtje

Uiterlijk

Dit soort bidsprinkhaan is bruin met een opvallende groene rand langs de vleugels als ze volwassen zijn. De nimfjes hebben een soort doorntje op hun achterlijf om nog meer op een stukje plant te lijken. Ze hebben ronde ogen en geen uitsteeksels op de poten.
A. formosana wordt ongeveer 3 cm lang, en is daarmee een van de kleinere soorten bidsprinkhanen.
De mannetjes zijn smaller dan de vrouwtjes met iets langere vleugels dan het achterlijf.

Gedrag

Acromantis formosana is een felle jager voor haar grootte, ze pakt zonder aarzelen prooien die veel groter zijn dan haarzelf.
Acromantis formosana is snel overstuur, bijvoorbeeld als je te snel beweegt. Ze beginnen dan hard rond te rennen. Ze kunnen ook doen of ze dood zijn. Ze gaan dan heel stil liggen en bewegen niet meer. Voor een beginnende bidsprinkhanen-houder misschien even schrikken! Na de dood-houd truc staat ze weer op en doet of er niks aan de hand was.

Omgevingseisen

De ideale temperatuur is ongeveer 24 °C, maar kan variëren tussen de 20 °C en 30 °C. ’s Nachts mag het iets koeler zijn dan overdag, maar minimaal 18 °C.Dit soort heeft een luchtvochtigheid nodig van ongeveer 60%, dit valt te bereiken door ongeveer eens in de 3 dagen te sproeien met water.
Zoals bij alle soorten bidsprinkhanen, heeft dit soort een verblijf nodig die minstens 3x de lengte van het dier hoog is, en minstens 2x de lengte van het dier breed. Voor een volwassen dier betekend dit dus minstens 9 cm in de hoogte en 6 cm in de breedte. Dit soort is daarom erg makkelijk te houden, omdat bijna elk bakje groot genoeg is voor haar.

Groepshuisvesting

Het is niet aan te raden dit soort in groepen te huisvesten, omdat ze er zeker niet voor terugdeizen elkaar op te eten. Erg jonge nimfen, tot L4 ongeveer, kunnen bij voldoende voedsel wel samen leven.

Voortplanting

Het verschil tussen de mannetjes en vrouwtjes kan je zien aan het aantal segmenten op het achterlijf. Mannetjes hebben er meer dan vrouwtjes (man 8, vrouw 6), en het laatste segment van de vrouwtjes is ook veel breder. Ook aan de voelsprieten kan gezien worden of je te maken hebt met een mannetje of een vrouwtje. De voelsprieten van de man zijn langer en breder dan die van de vrouw. Vanaf ongeveer subsubadult kan je dit verschil zien.
Ongeveer 2 weken na de laatste vervelling kan een paringspoging worden ondernomen. Zorg ervoor dat het vrouwtje goed gegeten heeft als je het mannetje erbij zet. Meestal zijn ze weinig agressief onderling. Handig is om het vrouwtje wat te eten te geven als je het mannetje erbij zet. De paring kan een paar uur duren.
De ootheken kunnen tussen de 10 en de 50 nimfjes geven, naar gelang de grootte van de ootheek. Ze zijn lichtbruin als ze gelegd zijn, en droger iets donkerder op.